Zorg

Didactische ontwikkeling

Voor iedere leerling met een dl>20 wordt een ontwikkelingsperspectief opgesteld. Dit houdt in dat er voor alle hoofdvakken (technisch lezen, begrijpend lezen, rekenen, spelling) een einddoel wordt vastgesteld en op basis van deze einddoelen een voorlopig VO-advies wordt geformuleerd. Hierbij wordt rekening gehouden met protectieve en belemmerende factoren en worden ondersteuningsbehoeftes geformuleerd.

 

Ieder half jaar worden op basis van de einddoelen tussendoelen gesteld. Deze doelen worden getoetst aan de hand van de toetsen (doorgaans CITO-toetsen). Deze uitslagen worden samen met de resultaten op de methode-gebonden toetsen, de vorderingen in de groep en observatie van de leerkracht twee keer per jaar besproken. Op basis van deze bespreking worden nieuwe tussendoelen vastgesteld, wordt de leerstof voor de komende periode beschreven en wat de leerling hiervoor nodig heeft. Dit wordt zoveel mogelijk in de arrangementen aangeboden. 

 

Als meer hulp en zorg nodig is, wordt dit in een individueel handelingsplan beschreven. Jaarlijks kijken we of de einddoelen nog reëel zijn. Als dit niet zo is, wordt besproken waarom dit niet zo is en, indien nodig, bijgesteld. 

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Naast de didactische ontwikkeling vinden we ook de sociaal-emotionele ontwikkeling erg belangrijk. De leerkrachten hebben hier veel oog voor tijdens de dagelijkse gang van zaken. Daarnaast vullen ze in oktober of bij tussentijdse plaatsing twee maanden na plaatsing de vragenlijst ZIEN in.

 

De leerlingen van de bovenbouw vullen zelf de vragenlijst ZIEN voor leerlingen in. De resultaten worden met de interne begeleider en de psycholoog besproken. De aandachtspunten die hieruit naar voren komen worden weggeschreven als ondersteuningsbehoeften binnen het ontwikkelingsperspectief. 

 

Daarnaast wordt er een groepsplan gemaakt om binnen de groep op sociaal-emotioneel gebied aan zorgpunten extra aandacht te besteden. Indien nodig wordt er voor een kind een individueel handelingsplan opgesteld om extra zorg te kunnen bieden. In maart vult de leerkracht nogmaals een aantal vragen van de vragenlijst ZIEN in (de vragen die betrekking hebben op de componenten welbevinden en betrokkenheid) om te bekijken of er vooruitgang is. Indien nodig wordt aan zorgpunten extra aandacht besteed. 

Extra hulp

Als een leerling zich met de gewone of extra aangeboden hulp niet voldoende ontwikkelt op didactisch en/of sociaal-emotioneel gebied, wordt dit aangegeven en besproken in de leerlingbespreking of op een  eerder moment. Deze leerling wordt vervolgens besproken in de leerlingbespreking met de interne begeleider en psycholoog. Er wordt goed gekeken wat de aard van het probleem is en of er aanpassingen in de aanpak moeten plaatsvinden. Van daaruit wordt indien nodig een plan van aanpak opgesteld.

 

Indien nodig wordt het intern zorgteam of de commissie van begeleiding ingeschakeld. Deze commissie bestaat uit de psycholoog, een orthopedagoog, de schoolmaatschappelijk werkende, de jeugdarts (GGD), de interne begeleider en de directeur van de school. Lukt het na enige tijd niet om de leerling voldoende te helpen, dan kan er hulp worden ingeroepen van buiten de school.

 

Uiteindelijk kan de vraag zich voordoen of een andere vorm van speciaal onderwijs niet beter zou zijn. Bij een erg gunstige ontwikkeling kan er sprake zijn van terugplaatsing naar het reguliere basisonderwijs. De verantwoordelijkheid voor het systeem van leerlingenzorg ligt bij de zorgcoördinator. 

Ouders

Als een kind speciale leerbehoeften heeft die vragen om bijzondere activiteiten, dan worden de ouders hierover geïnformeerd. Het kan zijn dat ouders en school dan moeten samenwerken. Onderlinge informatie-uitwisseling is dan van groot belang.


Als speciale hulp van buiten de school wordt gewenst, dan is overleg met de ouders vooraf een voorwaarde. Zonder toestemming en medewerking maakt dergelijke hulp weinig kans. Wij zien de ouders als volwaardige gesprekspartners. Immers: niemand kent het kind beter dan hen.